Beveiliging

Zomertyposium 2008

MIAT grafiek

Lithographie

Meta Serif

Magistraal

Joos Lambrecht

Zomertyposium 2007

Fata Morgana

John Cornelisse

Stekskes

Afficheletters

MSK

Corbel

Constantia

Consolas

Candara

Cambria

Calibri

Typis C.J. De Mat & H.Remy

Erik Desmyter

Reclame-Geluk

Weg met de schreven

ATypI'06 Galadiner

ATypI'06 Tibetaans

ATypI'06 Conferentie

ATypI'06 FontMaster

ATypI'06 Fontlab

Gratis fonts: Lido

Zomertyposium 2006

Pierre Ryckaert

Hollandse Mediæval

TypisDeMat.png

Typis C.J. De Mat & H.Remy

Phaedri, Augusti Liberti,
Fabularum Aesopicarum,
Libri Quinque,
Cum Notulis Gallicis in Loca Difficiliora;
Curante C.P., Lutetiae Parisiorum Institutore.
(Drukkersmerk)
Bruxellis,
Apud P.J. De Mat, Bibliopolam.
--
MDCCCXXV.
(Titelblad geheel in kapitalen; drukkersmerk stelt Gutenberg, Fust en Schoeffer voor: Gutenberg met een haakneus, Schoeffer een wipneus en Fust met iets daar tussenin, Gutenberg met hoedje met bontrand, en met een kraagje. Alledrie een lange baard. Hun namen worden aangegeven in Schwabacher.)
Band van het boekje is bruin leder en zwart gemarmerd karton, 8,3cm x 13,8cm x 2,3cm. Buitenrand papier rood gekleurd. 125 bedrukte pagina's, plus 7 advertentiepagina's ("Schoolboeken"catalogus P.J. De Mat; "Extrait du Catalogue de la Librairie P.J. De Mat, à Bruxelles"), plus 4 schutblaadjes voorin, 14 achterin, 63 blanco paginaatjes tussen de verschillende fabels door. 24pp. voorwerk, 11 genummerde katernen van 24pp. binnenwerk, en 1 katern van 16pp. om mee te eindigen. De katernen van het binnenwerk lijken gedrukt in een apart stuk van 16pp., met daar binnenin een kleiner katern van 8pp. De maximaal gebruikte drukvorm lijkt dus 130mm x 77mm (binnenwerk) maal 8 = iets (snit) groter dan 260mm x 308mm. Ik vraag mij af of deze drukvorm iets met houten persen te maken kan hebben: met een ijzeren handpers hadden ze gemakkelijk het hele katern tegelijk kunnen drukken. Het gebruik van een houten pers zou ook de slechte staat van de letters kunnen verklaren. Gewicht van het boekje is 160g.

De gebruikte letter is een "Didone", de broodtekst staat in corps 7,5 op 10,2. Voor afmetingen heb ik geen rekening gehouden met krimp van papier, voor corpsgrootte heb ik een simulatie gemaakt met "gelijkaardige" letters in InDesign. Ik vroeg mij dus af wélke letter precies, vooral ook omdat de tekst mij bijzonder vlot "leesbaar" lijkt, in tegenstelling tot alles wat over Didonen in kleine corpsen beweerd wordt.
De eerste stap was kijken naar Didonen met kleine optische grootte: in de tijd van de fotozet en in de beginjaren van het computerzetwerk--waar we nu stilaan uit zijn--werden alle lettergroottes opgebouwd uit één model. Een echte Didot is het zeker niet: de "a" begint eerder naar links en is bovenaan ronder ("heeft geen buikje"), "b" heeft geen schreef onderaan, "j" heeft geen bolletje, "q" heeft geen schreef bovenaan, "t" is recht bovenaan, "Q" heeft een duidelijk andere staart. Bodoni komt iets dichter: de "a", de "b" en de "q" lijken al wat beter, de "t" zou kunnen, volgens sommige letterproeven, maar de "Q" en ook de "R" en de "G" lijken dan weer minder. Meeste overeenkomst vond ik bij de Walbaum, en niet bij die van Linotype of Monotype, maar bij die van Storm, niet toevallig gedigitaliseerd op basis van een corps 12 in plaats van de gebruikelijke 14 of groter. Alle details lijken redelijk te kloppen--inclusief de wigvormige stokken en staarten--behalve twee.
Typisch voor de letters van Justus Erich Walbaum zijn de "driehoekige" schreven, aan de "C", "G", "S" en "s". In mijn boekje lijken die eerder op de schreven van Didot.
Vrij opvallend ook voor de letters van C.J. De Mat en H.Remy zijn de sterk bolle counters binnenin de "b" en de "d", minder van de "p" en nauwelijks van de "q". De al versmallende stokken worden extra uitgehold door de counter; bij de "b" en de "p" lijkt de vorm van de counter zelfs een schuine verticale as te suggereren.
Recente literatuur over Belgische lettergieterijen is schaars. Uitzondering is "Early Type Specimens in the Plantin-Moretus Museum" van John A. Lane. De collectie letterproeven van het Plantin-Moretus Museum stamt grotendeels uit de drukkerij Plantin-Moretus, die tot eind 19de eeuw min of meer actief is gebleven. Zoals de houten drukpersen van de 16de tot de 19de eeuw permanent gerepareerd en gemoderniseerd werden, zo werd ook de lettervoorraad aangevuld. Lane beschrijft 200 letterproeven. Als we even het begrip "Low Countries" deconstrueren, dan zien we dat de drukkerij Plantin-Moretus goeddeels met Belgische letter drukte; dat er in de 16de eeuw belangrijke import was uit Frankrijk; dat er uit eind 16de à eind 17de eeuw, de Gouden Eeuw van Nederland, blijkbaar geen letterproeven teruggevonden zijn; dat eind 17de à eind 18de eeuw de letterproeven meestal uit Nederland kwamen, en dat ze vanaf 1750 plaats maakten voor Franse en terug volop Belgische letter.
H.Remy, rue des Paroissiens, komen we in de "Early Type Specimen" (p.266) tegen in 1828 als drukker van een letterproef van Théodore Simon Gando, een lettergieter uit een Frans geslacht van lettergieters die op dat moment werkte in Brussel (rue Notre-Dame-aux-Neiges). Er is geen afbeelding, het gaat om een letterproef van 9 pagina's met een twintigtal letters.
Charles-J. De Mat wordt door Lane in verband gebracht met Joniaux-Feit (ibidem p.164):
"(…) Little is known about the Joniaux foundry and the possibly related foundry of Charles-J. de Mat, both in Brussels, and their history cannot be written without research in the Brussels archives and a comparison of the few specimens known to survive. This goes beyond the scope of the present catalogue, but I present what little information I can to encourage further study. I have found no record of Joniaux's foundry beyond the information in the present 1828 specimen and the directories for 1830, 1832, 1833 and 1851-1870. The directories for 1826 and 1840 record no foundry bearing Joniaux's name or at the adress he used from 1828 to 1833. The directory for 1833 and type specimens of 1833 and 1837 record C.J. de Mat & Cie, all on Rue de la Batterie, where Joniaux appears in the directories for 1851 and later (though the house number changes several times).
This scanty information allows no certain conclusion, but perhaps the foundries of Joniaux and De Mat merged to form De Mat & Cie sometime in the years 1837 to 1839, and De Mat withdrew sometime in the years 1840 to 1850 so that the foundry then continues under the Joniaux name. Since the nature of the relationship between the two firms, if the were related, remains uncertain, I include the De Mat foundry's names and adresses in the chronology above, even for the period before it became De Mat & Cie. De Mat operated a printing office and at least in 1837 also called himself a bookseller and paper maker [boekverkoper volgens mij vanaf 1825!], so the foundry may have taken on a subsidiary role around that time. I know of no specimens by either firm after 1837/38.
The present specimen explicitly states that some of its types were cut by Termonia in imitation of Didot's, but I have found no other reference to a punchcutter of this name. The name appears to [be] Belgian, and may come from the area around Hasselt in the province of Limburg. I have not found it in Brussels, so the foundry may have acquired the punches from a punchcutter residing elsewhere."

Bovenaan: Letters gereconstrueerd in Photoshop door telkens 4 scans in transparante lagen boven elkaar te plaatsen. Letterspatiëring door mijzelf.

Posted by PVL - Dec 10, 2006

comments (0) pic

Zien
Horen
Lezen
Doen