Drukkersmerk Joos Lambrecht 16th century experimental Digitale versie Jenson origineel, 1475 Arrighi italic, ca 1527.
Grieks mediaan
Grieks mediaan (11 punt)
Origineel toegeschreven aan Joos Lambrecht
Eerste gebruik: Epistula ad servatium patrem, 1536
Tekstvoorbeeld Disticha Moralis (klik op afbeelding)
‘Lambrecht beschikte over één Grieks type dat hij vanaf 1536 gebruikt. Het is sober (weinig krullen), de ligaturen zijn niet overdreven en het accent is samen met de letter gesneden. Voor bepaalde kapitalen gebruikte hij hierbij een romein.’ (J. Machiels, De boekdrukkunst in Gent tot 1560, Universiteit Gent, 1994)
Romein mediaan
Romein mediaan (11 punt)
Origineel toegeschreven aan Joos Lambrecht
Eerste gebruik: Epistola quaedam Erasmi, 1536
Tekstvoorbeeld Disticha Moralis (klik op afbeelding)
‘Letters van dit type komen voor in al het drukwerk van Joos Lambrecht. Later, in 1553, het jaar waarin deze drukker wegvlucht uit de Nederlanden, worden deze letters – samen met Mierdmans textura – ook teruggevonden in Londen, in het werkvan Hugh Singleton. De relatie tussen deze drie drukkers is onduidelijk.’ (H. D. L. Vervliet, Sixteenth-century printing types of the Low Countries, Menno Hertzberger & Co, Amsterdam, 1968)
‘Lambrechts pica romein komt het eerst voor in 1536 en meet 74 mm. Vanaf 1538, door het gebruik van een bredere tussenruimte (leading), worden twintig regels 80 mm. Een mooi model is te vinden in de tekst “Refereynen”.’ (J. Machiels, ibid.)
Italiek bourgeois
Italiek bourgeois (9 punt)
Origineel toegeschreven aan Joos Lambrecht
Eerste gebruik: Refereynen, 1539
Tekstvoorbeeld Disticha Moralis (klik op afbeelding)
‘Lambrecht was de enige drukker die – al van bij het begin van zijn carrière in 1536 – deze kleine italiek gebruikte, die voor zijn tijd niet zonder verdienste is. In een boek uit 1538 verschijnt een set smallere kapitalen naast de originele kapitalen. In zijn “Refereynen” uit 1539 gebruikt Lambrecht dit lettertype voor de passage waarin hij zijn voorkeur uit voor romeinse letters en zijn bezwaar tegen gotisch; maar voor die passage gebruikte hij het met gotische kapitalen en een paar varianten in de onderkast. In de inventaris van Van den Keeres lettergieterij, opgemaakt door Thomas de Vechter na 1581, is er een passage “Een oude brevier door Joos Lambrecht” die waarschijnlijk verwijst naar matrijzen voor deze letter.’ (H. D. L. Vervliet, ibid.)
‘Lambrechts italiek bourgeois, die in 1536 verschijnt, komt alleen bij deze drukker-lettersteker zelf voor. Als kapitaal gebruikt hij hierbij de romein 1,8 mm. Ook van deze letter is een mooi model te vinden in “Refereynen”. Soms gebruikt hij bij deze italiek ook texturakapitalen, bijvoorbeeld in dezelfde “Refereynen”. (…) Wat de italiek 57 mm betreft, die voor het eerst voorkomt in 1536, stelt men vast dat Lambrecht hierbij een kapitaal-romein gesneden heeft om in combinatie met de italiek gebruikt te worden. De kapitalen zijn aanvankelijk opvallend breed, vooral de N en de M, maar worden vanaf 1539 iets smaller (meer bepaald een zeer smalle H). Zij worden dan 2 mm.’ (J. Machiels, ibid.)
Textura moyen canon
Textura moyen canon (32 punt)
Eerste gebruik: Spelen van zinnen, 1539
‘Deze letter, zeer verspreid in de Nederlanden vanaf 1522, komt bij Lambrecht voor het eerst voor in 1538. Een mooi voorbeeld hiervan is de tekst “Spelen van zinnen” van 1539. Geringe varianten na vergelijking met het model van Verliet zijn aan te stippen.’ (J. Machiels, ibid.)
Textura augustijn
Textura augustijn (13 punt) (Rouen)
Eerste gebruik: Spelen van zinnen, 1539
‘Lambrecht lijkt de W, Y, Z (?), z (?) vervangen te hebben door letters die hij zelf sneed, en die enkel hij en Anthony Scoloker (Engeland) gebruikten.’ (H. D. L. Vervliet, ibid.)
‘Deze textura, eveneens van Franse herkomst, was zeer verspreid in de Nederlanden. Van de twee voorkomende varianten, deze van Hopyl in Parijs en deze afkomstig uit Rouen, is het de laatste die vanaf 1538 bij Lambrecht wordt aangetroffen. Een mooi model hiervan is te vinden in “Spelen van zinnen” en “Refereynen” maar dan met eigen vormen voor de W, Y, Z en z.’ (J. Machiels, ibid.)
Unciaal
Franse unciaal mediaan (11 punt)
Eerste gebruik: Spelen van zinnen, 1539
‘Vanaf 1539 met “Spelen van zinnen”; gebruikt Lambrecht een reeks uncialen van ca. 4 mm.’ (J. Machiels, ibid.)
Textura gros romain
Textura gros romain (17 punt)
Eerste gebruik: Evaluacye metten figuren, 1541
‘Deze letter, eveneens zeer verspreid in de Nederlanden en van Franse herkomst, komt in twee varianten voor. Het is de eerste, de oudste, die men met enkele varianten vanaf 1541 bij Lambrecht aantreft.’ (J. Machiels, ibid.)
Textura mediaan
Textura mediaan (11 punt)
Origineel toegeschreven aan Joos Lambrecht
Eerste gebruik: Pseudo Cato, 1541
Tekstvoorbeeld Disticha Moralis (klik op afbeelding)
‘Deze gotische letter lijkt zo typisch Frans dat we hem met enige aarzeling toeschrijven aan Joos Lambrecht. Zijn drukwerk is echter het vroegste waarin deze letter tot nog toe werd gevonden. Bovendien verschijnt hij misschien een generatie later in de inventaris van De Vechter van na 1581 als “Een oude gotische augustijn van Joos Lambrecht”. In tegenstelling tot andere lettertypes die aan Lambrecht kunnen worden toegeschreven, vond dit lettertype een zekere afzetmarkt. Het kan gezien worden in boeken gedrukt door Anthony Scoloker (Ipswich, 1548), Michel van Hamont (Brussel, 1560, met variant B), en de Gentse drukkers Jan Cauweel, Hendrik van den Keere de Oudere, en Geraert van Salenson. In 1578 duikt de letter op in Dordrecht in Calvijns boek “Institutie”, dat werd gedrukt door Cornelis Janszoon en Pieter Verhaghen. Het succes van het lettertype was meer dan terecht: het is een van de knapste gotische letters in de Franse mode in het drukwerk van de Lage Landen.’ (H. D. L. Vervliet, ibid.)
‘Lambrechts pica textura, die door Vervliet met enige aarzeling aan hem wordt toegeschreven, komt voor het eerst voor in 1541.’ (J. Machiels, ibid.)
Textura bible
Textura bible (8 punt)
Origineel toegeschreven aan Joos Lambrecht
Eerste gebruik: Pseudo Cato, 1541
‘Deze kleine, zelden gebruikte, textura, is mogelijk Frans van oorsprong ofwel werd hij gesneden door Joos Lambrecht, in wiens boeken hij vanaf 1541 opduikt. Net zoals de andere gotische letter die geassocieerd wordt met Joos Lambrecht wordt hij later teruggevonden bij de Scoloker pers te Ipswich. Bergaigne van Leuven had hem ook met enkele lettervarianten.’ (H. D. L. Vervliet, ibid.)
Italiek mediaan
Italiek mediaan (11 punt)
Origineel toegeschreven aan Joos Lambrecht
Eerste gebruik: Pseudo Cato, 1541
Tekstvoorbeeld Disticha Moralis (klik op afbeelding)
‘Vanaf 1541 (bv. in de Pseudo Cato), maar eerder zelden, gebruikt Lambrecht een gracieuse italiek aangevuld met kapitalen in romein.’ (J. Machiels, ibid.)
Romein augustijn
Romein augustijn (13 punt)
Origineel toegeschreven aan Joos Lambrecht
Eerste gebruik: Nicolas Le Borgne, 1543
‘Dit lettertype wordt vanaf 1543 regelmatig aangetroffen in Joos Lambrechts drukwerk. Het werd in 1567 gebruikt door Michiel van Hamont (Brussel). In de inventaris, opgemaakt kort na 1581 door Thomas de Vechter, van het materiaal dat in de gieterij van Van den Keere overgebleven was na de verkoop van de grootste voorraad aan Plantin, is er een punt dat vermoedelijk verwijst naar matrijzen van deze letter. Tussen “oud” materiaal, waarvan een deel afkomstig van Joos Lambrecht, lijstte hij de matrijzen voor “Een hauden augustyne Romaine”.’ (H. D. L. Vervliet, ibid.)
Romein kapitalen bourgeois
Romein kapitalen bourgeois (9 punt)
Origineel toegeschreven aan Joos Lambrecht
Eerste gebruik: Leges morales, 1545
‘Naast de twee alfabetten van rechte kapitalen, een van 1,8 mm en een van 2 mm hoog, die Joos Lambrecht gebruikte met zijn italiek bourgeois, verschenen in 1545 deze elegante kleine kapitalen. Lambrecht lijkt er nooit een onderkast bij gemaakt te hebben.’ (H. D. L. Vervliet, ibid.)
Romein onderkast moyen canon
Romein onderkast moyen canon (32 punt)
Origineel toegeschreven aan Joos Lambrecht
Eerste gebruik: Disticha Catonis, 1546
‘De onderkast werd waarschijnlijk voor het eerst gebruikt in 1546 door Joos Lambrecht. Het is goed mogelijk dat hij de stempels gemaakt heeft voor deze letters, die zich onderscheiden door hun smalte en hun robuustheid.’ (H. D. L. Vervliet, ibid.)
‘(Deze 8,2 mm kapitalen, vanaf 1517 zeer verspreid in West Europa en in de Nederlanden, worden aan Peter Schoeffer de jongere toegeschreven. Bij Lambrecht zijn ze vanaf 1536 terug te vinden.) De onderkast, waarschijnlijk door Lambrecht zelf gesneden, verschijnt voor het eerst in 1545.’ (J. Machiels, ibid.)
Bastaard mediaan
Bastaard mediaan (11 punt)
Eerste gebruik: Ordonnance du 11 juillet, 1548
‘Deze bastaard komt pas in 1551 voor in de “Ordonnance du 11 juillet 1548 … des especes d’or et d’argent”.’ (J. Machiels, ibid.)
Schwabacher augustijn
Schwabacher augustijn (13 punt)
Eerste gebruik: Nederlandsche Spellijnghe, 1550
‘Schwabacher en fractura (of bastaard nvdr). Deze twee stijlen, de Schwabacher en later de “Fraktur”, zo geliefd in Duitsland, speelden nauwelijks een rol van belang in de typografie van de Nederlanden. Beide zijn semi-cursieve gotische letters met een karakteristieke a met één verdieping en een g met open staart. De Schwabacher vindt zijn oorsprong in Duitsland rond 1483, en “Fraktur” rond 1510-1520. Deze laatste werd geperfectioneerd op kosten van Keizer Maximiliaan van Oostenrijk en werd de nationale letter van Duitsland. Pas sinds vorige eeuw, rond 1945, is deze letter in onbruik geraakt. In de Nederlanden werden deze twee lettervarieteiten maar sporadisch gebruikt – behalve misschien in oostelijke en noordelijke gebiedsdelen. Wat het hart van ons land betreft zijn ze enkel gevonden in een paar vroegzestiende-eeuwse boeken daarna werden ze door enkele welgestelde drukkers, onder wie Plantin en Silvius, gebruikt om in kruidenboeken en woordenboeken de Duitse woorden te zetten. Het mag verondersteld worden, zoals bij Rotunda, dat deze lettertypes niet ontworpen of gesneden werden in de Nederlanden. Zij werden hoogst waarschijnlijk aangekocht in Duitsland.’ (H. D. L. Vervliet, ibid.)
‘Deze mooie Schwabacher is voor het eerst terug te vinden in het “Naembouck” Van 1546. De “Nederlandsche Spellijnghe” van 1550 geeft hiervan een goed model.’ (J. Machiels, ibid.)
Textura gros paragon
Textura gros paragon (19 punt)
Eerste gebruik: D’onghevalueerde gauden ende zilveren munten, 1551
‘Verschijnt het eerst bij Lambrecht in 1551. Alhoewel deze textura reeds vanaf 1536 voorkomt schrijft Vervliet “It is tempting to ascribe the type to him.”’ (J. Machiels, ibid.)